_________________________________________________________________________________________________________________________________

Het Cultuurdebat 2.0: een korte nabeschouwing

Op maandag 23 november organiseerde Cultuurlab het gesmaakte Cultuurdebat 2.0: ‘de (on)verzoenbaarheid van cultuur en economie’ aan de Vrije Universiteit Brussel. Na een academische introductie debatteerden zes vertegenwoordigers uit de culturele sector onder professionele leiding van Chantal Pattyn over de uitdagingen op het vlak van cultuur en economie met bijzondere aandacht voor culturele financiering.

Hoewel de relatie tussen cultuur en economie het laatste jaar al wel vaker onderwerp van discussie geweest is, zijn er toch nog heel wat onbeantwoorde vragen en redenen tot verdere verdieping. Het thema van cultuur en economie is een breed thema en bestrijkt diverse subthema’s en vragen. Dat bleek ook heel duidelijk uit het cultuurdebat 2.0. Aspecten die in het debat aan bod kwamen, waren onder meer de impact van cultuur en impactmeting, de (on)vanzelfsprekendheid van subsidies, het belang van ondernemerschap en responsabilisering, de verbinding tussen subsidies en alternatieve financiering, diversificiatie van ticketprijzen en het culturele (over)aanbod.

Wat ik vooral uit dit debat onthoud, is dat culturele financiering een complex thema is maar dat de toekomst van culturele financiering heel wat perspectieven biedt en dat er niet in dualismen (markt versus staat, profit versus non-profit, privaat versus publiek) of in extreme polen (gratis of duur, economie of cultuur, elite of massa) mag gedacht worden. De voornaamste uitdaging bestaat erin op zoek te gaan naar zinvolle verbindingen die dualismen en polen overstijgen. Dat die verbindingen er zijn, daar ben ik na het debat nog meer van overtuigd. We moeten ze alleen nog weten bloot te leggen en proberen te vertalen in een nieuwe financieringsbenadering. We moeten ons de vraag stellen: wat weten we al en wat weten we nog niet met betrekking tot het thema? Waar kunnen alle partijen zich in vinden en waar helemaal niet? Welke vragen worden (nog) niet gesteld? Mijn honger naar antwoorden en concrete acties blijft nog groot en er is nog een lange weg te gaan maar met dit debat zijn we toch al weer een stapje dichter bij de eindbestemming. Van belang vooral is dat Minister Schauvliege het thema cultuur en economie in haar beleidsprioriteiten opneemt en concrete acties terzake zal nemen. Alleen dan kan er op het vlak van culturele financiering immers iets bewegen.

Dit debat was het tweede debat van een reeks cultuurdebatten die Cultuurlab in 2009 en 2010 organiseert en waarmee Cultuurlab de dialoog tussen academici, beleid, de culturele sector en het publiek wil stimuleren. Het volgende debat, dat zal plaatsvinden in de lente van 2010, zal focussen op cultuur en participatie en de potentiële rol van digitale cultuur bij participatie.

__________________________________________________________________________________________________________________________  

De (on)verzoenbaarheid van cultuur en economie

Tekst ter inleiding van ‘het cultuurdebat 2.0: de (on)verzoenbaarheid van cultuur en economie’ (VUB, 23 november 2009) (voor meer informatie: zie www.amiando.com/cultuurdebat.html)

Naar een nieuw tijdperk inzake culturele financiering

Terwijl cultuur en economie vroeger als onverzoenbare polen werden beschouwd, worden deze sferen vandaag steeds meer in één adem genoemd. Het aantal initiatieven en termen om bruggen te slaan tussen cultuur en economie neemt aanzienlijk toe. Binnen internationale politieke en academische debatten hebben concepten als cultureel ondernemerschap, cultureel management, cultuureconomie en cultuurindustrieën de laatste jaren een vaste plaats verworven. Eveneens in Vlaanderen vormen deze issues hot topics. Daarnaast wordt de culturele sector in toenemende mate geconfronteerd met economische doelstellingen zoals economische groei, werkgelegenheid, internationale handel en stedelijke/regionale ontwikkeling en met eisen inzake eigen inkomsten, responsabilisering, efficiëntie, management en ondernemerschap.

Hoewel het debat omtrent de convergentie tussen cultuur en economie de laatste jaren in een stroomversnelling is gekomen, liggen haar fundamenten in de jaren ’80, meer bepaald in het cultuurbeleid van de liberale ministers Karel Poma en Patrick Dewael. Met hun beleid werden de eerste belangrijke aanzetten gegeven tot de verzakelijking van de gesubsidieerde kunstsector en de verbreding van het cultuurbegrip. Deze tendens werd ook door de volgende ministers aangehouden. In Vlaanderen leidde deze evolutie eind jaren ‘90 tot het doorbreken van het traditionele kunstenmonopolie via de erkenning van de commerciële cultuurvormen en -organisaties. Deze erkenning resulteerde in 2006 in de oprichting van de Vlaamse culturele investeringsmaatschappij CultuurInvest. En het lijkt erop dat eveneens Minister Schauvliege deze tendens trouw zal blijven. In haar beleidsnota wijst ze op de groeiende economische dimensie en waarde van cultuur, de samenwerking tussen cultuur en de economische wereld, het belang van ondernemerschap en cultuurmanagement en de continuering en versterking van het huidige cultuurindustriële beleid en CultuurInvest.

Binnen het culturele veld wordt door bepaalde actoren met argwaan naar de convergentie tussen cultuur en economie gekeken. De vrees voor de almacht van de markt, de teloorgang van de authentieke inhoud en diepmenselijke waarde van kunst en het verlies aan subsidies is groot. Niet vreemd hieraan is het debat rond financiering en de stemmen die opgaan voor meer eigen inkomsten en alternatieve financiering. Evenmin bevorderen de onzekere beleidsplannen van de minister een serene gemoedstoestand. In haar nota spreekt ze over eigen inkomsten, een gemengde en alternatieve financiering en een evenwichtiger verhouding tussen structurele en projectmatige subsidies maar welke concrete beleidsmaatregelen hieraan gekoppeld zullen worden, is nog onduidelijk. Als we daarbij de subsidiestijging van de voorbije jaren mee in het achterhoofd houden en deze tegenover de potentieel nakende subsidiereductie stellen dan is de onrust en argwaan begrijpelijk.

Anderzijds wordt de soep nooit zo heet gegeten als ze wordt opgediend. Dat er zich een nieuw tijdperk of leven inzake culturele financiering aankondigt, is waarschijnlijk. Dat dit tijdperk onheil met zich meebrengt, daar ben ik niet van overtuigd. Anders hoeft niet perse revolutionair te zijn of onverzoenbaar met wat is. Een marktgerichter cultuurbeleid wordt vaak gelijkgesteld met een vervanging van publieke door private (profit) middelen. Een dergelijk reductionisme – geschraagd door de dichotomie markt versus staat – gaat voorbij aan de complexiteit van het culturele veld en dient dan ook vermeden te worden.

Regelmatig wordt verwezen naar de verwoestende effecten van een doorgedreven Amerikaans marktdenken. Dergelijke effecten moeten we vermijden. De positieve marktstimuli, zoals dynamiek, responsabilisering, kostenefficiëntie, ondernemerschap en maatschappelijke betrokkenheid, moeten we benutten. Een publiek financieringsmodel kan dan weer geëerd worden omwille van de gecreëerde artistieke voedingsbodem, talentontwikkeling, experimentele ruimte, sociale meerwaarde en marktcorrectie.

Op het colloquium ‘Geld voor cultuur’, dat begin oktober plaatsvond, hield economieprofessor Arjen van Witteloostuijn zijn veel besproken pleidooi voor minder subsidieafhankelijkheid en meer efficiëntie en ondernemerschap. ‘Organisaties worden in slaap gewiegd door veel subsidies’, zo stelde hij. We moeten inderdaad vermijden dat de overheidsafhankelijkheid toeneemt maar ook dat de slinger overslaat in een overdreven marktdenken. Daar waar subsidiëring tekort schiet, kan de markt aanvullen en vice versa. We moeten de weg vrijmaken voor een nieuw, flexibeler financieringsmodel dat de voordelen van een subsidiebeleid verbindt met die van de markt. Daarnaast moet er gekeken worden naar financiering via de derde sfeer, de private non-profit steun, via bijvoorbeeld dienstenverlening, mecenaat, vrijwilligerswerk en steun in natura. Deze financiering komt de financiële beweegruimte ten goede en stimuleert maatschappelijke betrokkenheid.

Weliswaar omvat dit nieuw financieringsmodel een aantal voorwaarden. Ten eerste, de financieringsstromen moeten elkaar voeden waardoor organisaties én artiesten meer slagkracht krijgen. Ten tweede, de noodzaak aan subsidies voor waardevolle projecten zonder marktpotentieel mag niet in vraag gesteld worden en experiment en artistieke ontwikkeling moeten, onder meer via projectsubsidies, verzekerd blijven. Non-profit middelen dienen aangewend te worden voor non-competitieve elementen en investeringen (via CultuurInvest) voor competitieve activiteiten (die echter wel uit non-competitieve elementen kunnen voortkomen). Dit impliceert het doorbreken van het denken in termen van gesubsidieerde versus niet-gesubsidieerde ‘sectoren’. Subsidies, of beurzen, kunnen ook voor activiteiten met toekomstig marktpotentieel verdedigbaar zijn (om hun bestaan mogelijk te maken). Anderzijds moeten structureel gesubsidieerde organisaties gestimuleerd worden om van een marktlogica de vruchten te plukken zonder afbreuk te doen aan de intrinsieke waarde van cultuur. Verder is het, met het oog op private financiering, belangrijk om op federaal niveau het debat over fiscale voordelen aan te wakkeren. Tot slot moeten er voorbeelden zijn die aantonen dat een gemengd financieringsmodel kan. Dan pas kan er immers geloof in zijn. Concrete actie dringt zich terzake dan ook op. __________________________________________________________________________________________________

Overstijg het dualisme De Standaard Online (Cultuurdebat), 20 januari 2009

De lente is in het land, althans toch als we een aantal deelnemers van het lopende cultuurdebat in deze krant mogen geloven. Dat verheugt me. Wat me nog meer verheugt is dat de culturele debatanten, al zijn ze zich daar zelf niet zo van bewust, mekaar op één punt duidelijk kunnen vinden, namelijk de convergentie tussen een marktgerichte en staatsgerechte benadering van cultuur. Een opportuniteit lijkt me. Maar zover zijn deze cultuurdenkers blijkbaar nog niet. Hun discours wordt immers nog steeds sterk geschraagd door het dualisme markt versus staat.

Het wordt hoog tijd dat we dit of/of denken overstijgen en nadenken over de rol van de markt én de staat. We leven in een tijdperk van vervagende grenzen tussen publiek en privaat, cultuur en economie, lokaal en globaal, reëel en virtueel. In een dergelijk tijdperk is geen plaats meer voor een cultuurbeleid dat steunt op dualismen. Een efficiënt toekomstgericht cultuurbeleid moet er in eerste instantie op gericht zijn bruggen te slaan tussen de gesubsidieerde kunsten en de cultuurindustrieën, publiek en privaat, artistieke en commerciële doelstellingen, zonder één van beide te marginaliseren. Het zijn deze bruggen die het mogelijk maken om met evenveel of zelfs minder middelen meer te doen en om cultureel ondernemerschap, zowel binnen het gesubsidieerde als commerciële cultuurcircuit, ten volle tot bloei te laten komen. Het bouwen van deze bruggen, met andere woorden het verbinden van overheidsinterventie binnen de culturele sector met een marktgerichte benadering, behelst drie uitdagingen voor het toekomstige cultuurbeleid.

Een eerste uitdaging die zich stelt impliceert het doorbreken van het denken in termen van gesubsidieerde versus niet-gesubsidieerde sectoren. Het huidige culturele financieringsbeleid wordt gekenmerkt door een te strikt onderscheid tussen een subsidiebeleid en een marktgerichte benadering. Subsidies zijn vooral voorbehouden voor de niet-rendementsgebonden culturele activiteiten; investeringen voor de rendementsgebonden activiteiten. Deze tweedeling gaat echter voorbij aan de complementariteit van een subsidiebeleid en een commercieel beleid en staat een optimalisering van de middelen in de weg. Zo kunnen subsidies ook voor rendementsgebonden activiteiten wenselijk en verdedigbaar zijn. Een product kan wel marktpotentieel hebben maar het moet natuurlijk eerst wel gemaakt kunnen worden en dat kost geld. Dit is vooral problematisch voor startende culturele ondernemingen die nog niet over voldoende kapitaal beschikken. Anderzijds moeten structureel gesubsidieerde organisaties ook beroep kunnen doen op een investeringsfonds zoals CultuurInvest voor marktgerelateerde activiteiten en mogen ze niet afgerekend worden op mooie cijfers. Ze moeten net gestimuleerd en uitgedaagd worden om van een marktlogica de vruchten te plukken. Staatsinterventie en marktwerking zijn niet concurrentieel maar complementair. De taak van de overheid bestaat erin kansen en ruimte te geven zodat creatief talent zich kan ontplooien en een artistiek waardevol product kan ontwikkeld worden. Dit impliceert niet alleen voorwaardelijke en tijdelijke financiële stimuli maar eveneens managementondersteuning, advies, coaching, collectieve infrastructuurvoorzieningen, netwerking, promotie en informatie. Daarna is het aan het talent om deze kansen op de vrije markt te optimaliseren, valoriseren en continueren, al dan niet met het oog op rendementscreatie.

De integratie van een subsidiebeleid en een commercieel beleid impliceert echter wel een mentaliteitswijziging. Hiermee belanden we bij de tweede uitdaging. De Vlaamse traditie van publieke steun en een sterk subsidiebeleid maakt dat er in Vlaanderen een sterke artistieke voedingsbodem aanwezig is. Anderzijds werkt deze traditie fnuikend voor cultureel ondernemerschap en een marktgerichte benadering van cultuur. Subsidies worden teveel als vanzelfsprekend beschouwd. Zoals het culturele verleden van Vlaanderen aangeeft, ontstaat en bloeit culturele innovatie echter vaak binnen een context van marginale overheidsteun. De uitdaging is niet zozeer subsidies verminderen of wegnemen maar minder vanzelfsprekend maken en vooral efficiënter besteden. De kraan mag niet toegedraaid worden maar er moet, conform de voorgaande uitdaging, gekeken worden naar hoe de financiering anders kan georganiseerd worden. De criteria voor subsidiëring moeten, met het oog op een verhoging van de (commerciële) slaagkansen van gesubsidieerde projecten en een efficiëntere besteding van de middelen, verfijnd en bijgestuurd worden. Zowel de commerciële als gesubsidieerde cultuurorganisaties hebben immers de verantwoordelijkheid op een efficiënte en verantwoorde manier met de middelen om te gaan. Dit impliceert maatschappelijke verantwoordelijkheid, zakelijk inzicht in de haalbaarheid van de projecten en in het potentieel voor exit mogelijkheden, openheid en transparantie over de besteding van de middelen en de bereikte resultaten, samenwerking over de grenzen van publiek en privaat heen, toekomstgerichtheid en niet allerminst aandacht voor het welzijn van de individuele artiest.

Absoluut noodzakelijk voor de realisatie van de twee vorige uitdagingen is de uitbouw van een nieuwe, flexibelere financieringsstructuur. Hierbinnen moeten subsidies verenigd worden met de achtergestelde leningen en kapitaalparticipaties van CultuurInvest. Tevens moet nagedacht worden over alternatieve (complementaire) financieringsvormen zoals de gekende tax shelter maar ook bijvoorbeeld borgstellingen voor infrastructuur, beurzen aan artiesten, mecenaat en sponsoring. Binnen het nieuwe financieringsmodel speelt publieke/private samenwerking een fundamentele rol. Er moet naar gestreefd worden om naast de overheid en CultuurInvest eveneens de private sector warm te maken voor investeringen in cultuur. Gegeven het imago van de culturele sector als ‘risky business’ is dit echter niet zo evident. In eerste instantie zullen er dus maatregelen genomen moeten worden om dit imago op te krikken en de private sector te overtuigen van de gezamenlijke meerwaarde die kan gecreëerd worden uit een investering in culturele projecten (cfr. maatschappelijk verantwoord ondernemerschap). Eveneens hier is een belangrijke rol weggelegd voor de overheid via flankerende maatregelen zoals ondermeer coaching, netwerking en managementondersteuning.

Kansen en experimentele ruimte geven, creatief talent stimuleren en uitdagen, responsabiliseren en vooral niet blind zijn voor de opportuniteit van de markt. Kortom, de krachten van markt en staat bundelen en al zo hun functies versterken en hun disfuncties wegwerken. Dat is de uitdaging voor een Vlaams toekomstgericht cultuurbeleid.

Zie ook www.standaard.be/cultuurdebat _________________________________________________________________________________________________________________________

Cultuurindustrieën ont(k)leed: Naar een analysemodel inzake de constituerende processen en impactindicatoren van cultuurindustrieën (2007).

Deze tekst is te raadplegen via www.vub.ac.be/SCOM/cemeso/wpapers.htm ___________________________________________________________________________________________________________________________

Eén reactie naar “Teksten”

Geen reacties meer mogelijk.