Financiering van cultuur

januari 5, 2010

Naar een nieuw tijdperk inzake culturele financiering

Terwijl cultuur en economie vroeger als onverzoenbare polen werden beschouwd, worden deze sferen vandaag steeds meer in één adem genoemd. Het aantal initiatieven en termen om bruggen te slaan tussen cultuur en economie neemt aanzienlijk toe. Binnen internationale politieke en academische debatten hebben concepten als cultureel ondernemerschap, cultureel management, cultuureconomie en cultuurindustrieën de laatste jaren een vaste plaats verworven. Eveneens in Vlaanderen vormen deze issues hot topics. Daarnaast wordt de culturele sector in toenemende mate geconfronteerd met economische doelstellingen zoals economische groei, werkgelegenheid, internationale handel en stedelijke/regionale ontwikkeling en met eisen inzake eigen inkomsten, responsabilisering, efficiëntie, management en ondernemerschap.

Hoewel het debat omtrent de convergentie tussen cultuur en economie de laatste jaren in een stroomversnelling is gekomen, liggen haar fundamenten in de jaren ’80, meer bepaald in het cultuurbeleid van de liberale ministers Karel Poma en Patrick Dewael. Met hun beleid werden de eerste belangrijke aanzetten gegeven tot de verzakelijking van de gesubsidieerde kunstsector en de verbreding van het cultuurbegrip. Deze tendens werd ook door de volgende ministers aangehouden. In Vlaanderen leidde deze evolutie eind jaren ‘90 tot het doorbreken van het traditionele kunstenmonopolie via de erkenning van de commerciële cultuurvormen en -organisaties. Deze erkenning resulteerde in 2006 in de oprichting van de Vlaamse culturele investeringsmaatschappij CultuurInvest. En het lijkt erop dat eveneens Minister Schauvliege deze tendens trouw zal blijven. In haar beleidsnota wijst ze op de groeiende economische dimensie en waarde van cultuur, de samenwerking tussen cultuur en de economische wereld, het belang van ondernemerschap en cultuurmanagement en de continuering en versterking van het huidige cultuurindustriële beleid en CultuurInvest.

Binnen het culturele veld wordt door bepaalde actoren met argwaan naar de convergentie tussen cultuur en economie gekeken. De vrees voor de almacht van de markt, de teloorgang van de authentieke inhoud en diepmenselijke waarde van kunst en het verlies aan subsidies is groot. Niet vreemd hieraan is het debat rond financiering en de stemmen die opgaan voor meer eigen inkomsten en alternatieve financiering. Evenmin bevorderen de onzekere beleidsplannen van de minister een serene gemoedstoestand. In haar nota spreekt ze over eigen inkomsten, een gemengde en alternatieve financiering en een evenwichtiger verhouding tussen structurele en projectmatige subsidies maar welke concrete beleidsmaatregelen hieraan gekoppeld zullen worden, is nog onduidelijk. Als we daarbij de subsidiestijging van de voorbije jaren mee in het achterhoofd houden en deze tegenover de potentieel nakende subsidiereductie stellen dan is de onrust en argwaan begrijpelijk.

Anderzijds wordt de soep nooit zo heet gegeten als ze wordt opgediend. Dat er zich een nieuw tijdperk of leven inzake culturele financiering aankondigt, is waarschijnlijk. Dat dit tijdperk onheil met zich meebrengt, daar ben ik niet van overtuigd. Anders hoeft niet perse revolutionair te zijn of onverzoenbaar met wat is. Een marktgerichter cultuurbeleid wordt vaak gelijkgesteld met een vervanging van publieke door private (profit) middelen. Een dergelijk reductionisme – geschraagd door de dichotomie markt versus staat – gaat voorbij aan de complexiteit van het culturele veld en dient dan ook vermeden te worden.

Regelmatig wordt verwezen naar de verwoestende effecten van een doorgedreven Amerikaans marktdenken. Dergelijke effecten moeten we vermijden. De positieve marktstimuli, zoals dynamiek, responsabilisering, kostenefficiëntie, ondernemerschap en maatschappelijke betrokkenheid, moeten we benutten. Een publiek financieringsmodel kan dan weer geëerd worden omwille van de gecreëerde artistieke voedingsbodem, talentontwikkeling, experimentele ruimte, sociale meerwaarde en marktcorrectie.

Op het colloquium ‘Geld voor cultuur’, dat begin oktober plaatsvond, hield economieprofessor Arjen van Witteloostuijn zijn veel besproken pleidooi voor minder subsidieafhankelijkheid en meer efficiëntie en ondernemerschap. ‘Organisaties worden in slaap gewiegd door veel subsidies’, zo stelde hij. We moeten inderdaad vermijden dat de overheidsafhankelijkheid toeneemt maar ook dat de slinger overslaat in een overdreven marktdenken. Daar waar subsidiëring tekort schiet, kan de markt aanvullen en vice versa. We moeten de weg vrijmaken voor een nieuw, flexibeler financieringsmodel dat de voordelen van een subsidiebeleid verbindt met die van de markt. Daarnaast moet er gekeken worden naar financiering via de derde sfeer, de private non-profit steun, via bijvoorbeeld dienstenverlening, mecenaat, vrijwilligerswerk en steun in natura. Deze financiering komt de financiële beweegruimte ten goede en stimuleert maatschappelijke betrokkenheid.

Weliswaar omvat dit nieuw financieringsmodel een aantal voorwaarden. Ten eerste, de financieringsstromen moeten elkaar voeden waardoor organisaties én artiesten meer slagkracht krijgen. Ten tweede, de noodzaak aan subsidies voor waardevolle projecten zonder marktpotentieel mag niet in vraag gesteld worden en experiment en artistieke ontwikkeling moeten, onder meer via projectsubsidies, verzekerd blijven. Non-profit middelen dienen aangewend te worden voor non-competitieve elementen en investeringen (via CultuurInvest) voor competitieve activiteiten (die echter wel uit non-competitieve elementen kunnen voortkomen). Dit impliceert het doorbreken van het denken in termen van gesubsidieerde versus niet-gesubsidieerde ‘sectoren’. Subsidies, of beurzen, kunnen ook voor activiteiten met toekomstig marktpotentieel verdedigbaar zijn (om hun bestaan mogelijk te maken). Anderzijds moeten structureel gesubsidieerde organisaties gestimuleerd worden om van een marktlogica de vruchten te plukken zonder afbreuk te doen aan de intrinsieke waarde van cultuur. Verder is het, met het oog op private financiering, belangrijk om op federaal niveau het debat over fiscale voordelen aan te wakkeren. Tot slot moeten er voorbeelden zijn die aantonen dat een gemengd financieringsmodel kan. Dan pas kan er immers geloof in zijn. Concrete actie dringt zich terzake dan ook op.

Zie ook Cultuurdebat 2.0

Geef een reactie